Post | September 2019 | 2 min lezen

De toekomst is óók aan het MBO!

Door Fabian Dekker
Fabian Dekker

De Nieuwe Poort duikt in de wereld van jeugdwerkloosheid. Samen met wetenschappers, opiniemakers én jongeren zelf onderzoeken we de problemen, de oorzaken en de kansen. Voor een reeks prikkelende blogs vroegen we jeugdwerkloosheidsonderzoeker Fabian Dekker om ons een kijkje te geven in zijn vakgebied. Wat gaat er goed? Wat gaat er mis? En misschien nog wel het belangrijkste: hoe veranderen we het?



Doorstuderen, doorstuderen, doorstuderen. Dat is het credo voor iedereen die nu nog op school zit. Want in een wereld die in rap tempo digitaliseert en waarin de technologie jaarlijks verbetert, zien de arbeidsmarktperspectieven van vooral hoogopgeleiden er goed uit. Met een hbo of wo-diploma verdien je eerder een hoog inkomen, verwerf je meer aanzien en krijg je sneller een vaste baan. De Sociaal-Economische Raad maakte zich in een van haar laatste rapporten dan ook zorgen over de toekomst van het mbo en de kansen op een baan voor jongeren die uit het middelbaar beroepsonderwijs stromen. En toch is de toekomst óók aan het mbo.


Doorstuderen is in het algemeen een bijzonder goed advies. Hoe hoger het diploma, hoe beter de perspectieven op de arbeidsmarkt. Veel middelbaar- en lageropgeleiden plukken namelijk minder de vruchten van digitalisering, zeker wanneer het werk een sterk routinematig karakter heeft. Juist deze werkzaamheden zijn automatiseerbaar, kijk alleen al naar het verdwijnen van veel administratieve beroepen. In het bijzonder de lagere mbo- niveaus komen in het zogenaamde ‘tweede machinetijdperk’ meer onder druk te staan. Maar daarnaast zijn er ook veel werkzaamheden op mbo-niveau die zich níet goed laten vervangen door nieuwe technologie. Zo zijn robots bijvoorbeeld bijzonder slecht in staat om verplegende taken in de gezondheidszorg over te nemen en is een volledig gerobotiseerde kapperszaak ook nog altijd een ver-van-ons-bed-show. Tegelijkertijd zien we ook verschillende bedrijfstakken in het middensegment vergrijzen. Hierdoor ontstaat, naast de economisch bepaalde uitbreidingsvraag, een grote vervangingsvraag. Dit is onder andere al te zien in de transport- en logistieksector en de bouw- en infrasector. Mede hierdoor zijn de perspectieven voor mbo’ers in verschillende richtingen nog altijd redelijk tot goed, vooral in de techniek.


En misschien word je ook juist wel gelukkiger van een middelbare beroepsopleiding. Nu we met z’n allen steeds hoger zijn opgeleid moeten veel jongeren steeds vaker banen aannemen onder hun niveau of buiten hun studierichting. Het verbaast me dan ook niet dat burn-out en stressverschijnselen juist bij hogeropgeleide 35-minners toenemen. Bovendien is de werkloosheid onder mbo’s in de eerste drie maanden na het behalen van hun diploma (de zogenaamde intredewerkloosheid) vaak lager dan bij hbo-studenten. En vergeet niet: het zijn juist geschoolde vakmensen die een belangrijke bijdrage leveren aan onze economie en het dagelijks functioneren van onze samenleving.


De Sociaal-Economische Raad schreef al in 2013 dat het mbo kampt met een negatief imago en dalende belangstelling van studenten voor een ambachtelijke beroepsopleiding. Dat is jammer en onterecht. In een van haar laatste arbeidsmarktanalyses laat het UWV zien dat voor mbo-studenten voortdurend nieuwe werkgelegenheid ontstaat. De werkloosheidskansen voor procestechnici op mbo4-niveau zijn bijvoorbeeld zelfs 0% (!) en een vaste baan is dan ook de norm. En ook in het mbo-onderwijs wordt meer en meer gebruik gemaakt van moderne technologie en neemt het belang van ondernemerschap toe.


Kortom: laten we het mbo-onderwijs de waardering geven die het verdient. Want de Organisatie van Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) riep twee jaar geleden ons middelbaar beroepsonderwijs al uit tot de internationale top. Ons mbo dus. Niets mis mee.